Afwachten is geen optie

Digitalisering schudde de Belgische arbeidsmarkt door elkaar. In de wereld van Uber-chauffeurs en Deliveroo-bezorgers daalt de waarde van arbeid. Wie komt nog op voor duurzame carrières? En wie garandeert sociale rechten?

Moet elk individu opkomen voor zijn eigen rechten?Of is dat een taak van de overheid omdat ‘gebrek aan vooruitzicht’ van ondernemingen wettelijk strafbaar is? De derde mogelijkheid – nieuwe tussenpersonen, als schakel tussen projectwerkers en de gebruikers van hun diensten  hebben vooralsnog geen kader om een volwaardig alternatief te worden.

CEPA is het eerste voorbeeld van zo’n tussenpartij. De organisatie werd in 1929 opgericht in de haven van Antwerpen, en is ontstaan uit een samenwerking tussen vrachtbedrijven, vakbonden en VDAB. En in het zuiden van het land zijn er een twintigtal werknemersgroeperingen die het carrièrebeheer van flexibele werkers op zich nemen.

Het derde statuut creëert een categorie van gemarginaliseerde werkers.
François Pichault, HEC-LENTIC

De bekendste tussenpartij is SMart, een privébedrijf met 85.000 leden. Het bedrijf werd eind jaren 90 opgericht voor artiesten en breidde zijn diensten geleidelijk uit naar flexibele werkers. De grote kracht is het aanbod. Leden betalen een heffing van 6,5 procent op de transacties, en krijgen daarvoor een aantal equivalenten voor de traditionele werkrelatie: recht op werkloosheidsuitkeringen en op opleiding, toegang tot gedeelde werkruimte, enzovoort.

Dat creëert een virtuele gemeenschap, die vandaag de vorm aanneemt van een coöperatie. SMart ijvert ook voor de overdraagbaarheid van sociale rechten, dus voor de loskoppeling van de sociale bescherming van het werkstatuut.

Maar ook dit model krijgt kritiek. Sommigen vinden dat de overheid de rol van tussenpartij moet opnemen. De vakbonden vrezen de banalisering en legitimering van arbeidsonzekerheid. De uitzendkrachten, die in de jaren 80 dezelfde kritiek kregen, eisen een afstemming op hun eigen statuut. De RVA vindt dat de geest van de wet op artistiek werk wordt gekaapt, enzovoort…

Zweeds model

Het is tijd voor een overheidsinitiatief, vind ik. Meerdere landen kozen voor een derde statuut, waardoor flexibele werkers toegang krijgen tot bepaalde sociale rechten. In het VerenigdKoninkrijk worden workers nu erkend naast employees en de self-employed. En ook Spanje, Italië of Duitsland ondernamen al actie.

Maar de evaluaties in heel wat Europese verslagen tonen aan dat het derde statuut een categorie van gemarginaliseerde werkers creëert. Het draagt nauwelijks bij tot de houdbaarheid van hun carrières. Dat verklaart ongetwijfeld ook het relatieve succes van het statuut. Zweden biedt een andere visie. Daar heeft elke werker, ongeacht zijn statuut, volledige toegang tot sociale rechten, een principe dat de Europese Unie aanmoedigt.

Gezien de groeiende rol van de nieuwe tussenpartijen, moeten we hun werking nu beter reguleren en kaderen. Hoe? Via erkenningsformules die hen dwingen functionele equivalenten aan te bieden voor het arbeidscontract. En waardoor ze hun verantwoordelijkheid moeten opnemen rond de houdbaarheid van de nieuwe arbeidsvormen.

Welke keuzes er ook worden gemaakt, de tijd dringt, want het huidige no man’s land is de slechtst denkbare optie.

François Pichault,Hoogleraar Human Resources & Change Management

HEC Liège  Université de Liège

Directeur van het Laboratoire d’études sur les nouvelles formesde travail, l’innovation et le changement (LENTIC)

François Pichault
24/10/2018